Woningoverval Schiedam

Woningoverval Schiedam

rechtzaken door

Overval woning in Schiedam juli 2011. Client erkent aldaar in de woning te zijn geweest. Echter ontkent enige geweldhandeling te hebben gepleegd. Andere twee medeverdachten zijn wel veroordeeld. Client kreeg vrijspraak. Pleitnota volgt hieronder, die uiteraard ter zitting is aangevuld.

Rechtbank te Rotterdam
Meervoudige Kamer
18 januari 2012

 

PLEITNOTA

Verdachte : ———-

Raadsvrouwe : mr. I.A Groenendijk

————————

De Hamvragen die aan Uw Rechtbank voorlegt, luiden in chronologie:

Kunt u onomstotelijk vaststellen dat aangever de waarheid verteld?

Zo ja, wat levert dit que juridisch feit op?

 

Feiten:

Client is vanaf de eerste minuut in zijn verhoren helder, duidelijk en consistent. Noch de politie noch uw Rechtbank heeft mijn client kunnen betrappen op inconsistentie. Client schreeuwt het bijna uit!!!Uitermate stellig is client in zijn verklaring.

Client is meegehobbeld, vervolgens bij de woning aangekomen, blijft hij beneden wachten. Na een hoop herrie is hij boven gaan kijken. Aldaar treft hij de heren op de stoel in zware discussie aan. Hij slaat Mo op zijn borst/schouder en gaat weg, daarna vindt er kennelijk het geweld plaats.

Client is nog eerlijk dat hij bij aankomst boven een hoofdwond ziet, en nadat hij beneden is aangekomen, het slachtoffer door een raam hoort knallen.

Een verklaring die client vanaf dag 1 tot en met blijft herhalen. Client is uitermate stellig. Ook de RC haalde die stelligheid van client aan.

Hij blijft erbij dat client bij het toegepaste geweld op geen enkele wijze enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Voor de vereiste medeplegen is dit wel vereist.

 

LJN: BC6157, Hoge Raad , 02922/06

Rijswijkse stoeptegelzaak. OM-cassatie. Art. 359.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen tav de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal en art. 359.2 Sv uit HR LJN AO5061, LJN AV8527 en LJN AU9130. Het Hof heeft het door de AG bij het Hof verwoorde standpunt, inhoudende zijn opvatting omtrent de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal door de beredeneerde opgave dat en o.g.v. welk bewijsmateriaal medeplegen van moord kan worden bewezenverklaard, niet aanvaard. Het Hof heeft verdachte t.z.v. medeplegen van moord vrijgesproken en daartoe overwogen dat naar zijn oordeel het wettig en overtuigend bewijs te dien aanzien ontbreekt. Het Hof heeft de vraag of sprake is geweest van een zodanig nauwe samenwerking tussen verdachte en de beide medeverdachten dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, ontkennend beantwoord en heeft overwogen dat verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat evenmin is komen vast te staan dat hij instemde met het gooien van de stukken stoeptegel. In het bijzonder i.v.m. dit laatste aspect heeft het Hof voorts overwogen dat van andere f&o die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en volledige samenwerking, onvoldoende is gebleken. ’s Hofs oordeel dat de door de AG bij het Hof genoemde omstandigheid dat verdachte, ondanks de volgens het OM bij verdachte aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren, zich daarvan niet heeft gedistantieerd, in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om de vereiste bewuste nauwe samenwerking op te kunnen opleveren, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘medeplegen’, terwijl daarmee niet wordt miskend dat zodanige samenwerking ook “stilzwijgend” kan geschieden. Gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal en in aanmerking genomen hetgeen door de AG naar voren is gebracht, was het Hof, ook in het licht van art. 359.2 Sv, i.c. niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

De verklaring van client valt te rijmen met het aangetroffen letsel, ook al heeft client het letsel toebrengen niet gezien, spreekt ook hij over het horen van geweld.

Tegenover deze verklaring staan de verklaringen van aangever

Verklaring van aangever

Zoals in de Stoeptegelmoord werd geoordeeld door de AG, beide lezingen kunnen,

21. Het gaat dus – als zo vaak in het strafproces – om een waardering van de verklaringen die in de loop van de procedure zijn afgelegd. Beide lezingen, zowel die van de advocaat-generaal als die van de verdediging, klinken plausibel; in geen van deze beide reconstructies zijn wendingen aan te wijzen die aanstonds onwaarschijnlijk lijken. Kennelijk heeft het Hof doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen die er op wijzen dat de verdachte er niet vanuit ging dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkelijk nog van plan waren voorwerpen naar de onder het viaduct doorrijdende auto’s te gooien, terwijl hij niet in staat was in te grijpen op het moment waarop hij zag dat zij dit wel degelijk gingen doen.

Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Men zou, wat de in dit middel aangehaalde rechtspraak over ‘medeplegen door passieve aanwezigheid’ betreft nog kunnen wijzen op HR NJ 2004, 682: zelfs indien de als medepleger vervolgde persoon de ontmoeting heeft gearrangeerd waarbij zijn compaan gewelddadig werd behoeft er nog geen sprake te zijn van medeplegen, in aanmerking genomen dat de verdediging feiten heeft genoemd die er op wijzen dat de verdachte geen rekening kon of behoefde te houden met die escalatie van geweld.

Echter de lezing van aangever is ongeloofwaardig. Opvallend is dat hij in zo’n belangrijk delict het ‘Nordin’ niet noemt. Hij rept in zijn eigen verklaring geen woord over deze persoon in zijn woning. Waarom niet? Is het nu echt omdat hij denkt die heeft een strafblad die moet ik uit de wind houden? Terwijl hij al heel snel bedenkt, misschien heeft hij er iets mee te maken? Met zo’n delict hem (lees: Nor) niet noemen roept om vragen?

Vervolgens komt nog bij dat aangever, in tegenstelling tot de politie, bij de RC benoemt dat er helemaal geen sprake is van verdovende middelen. Terwijl de politie bij ambtsedig pv verklaart dat aangever toch onder de zware verdovende middelen zat volgens zijn eigen verklaring tegenover de politie, stelt aangever bij de RC dat dit niet het geval was; broodje nuchter. Echter op de vraag waarom aangever een hennepkwekerij had, verklaart hij dat hij het dagelijks gebruik van hennep in eigen beheer heeft.

Dan de persoonsverwisseling, in zijn verklaring bij de politie geeft aangever andere beschrijving aan de personen die boven kwamen, dan degene die hij benoemt bij de politie.

Ook vraagtekens dienen wij te stellen bij de stelling van aangever dat de overvallers in zijn woning bivakmutsen gebruikten. Client stelt immers van niet. Hij blijft er bij dat hij geen bivakmuts had. We zouden toch verwachten dat client dit niet zou zeggen, als hij iets te verbergen had: aangever kan mij niet herkennen want ik had een bivakmuts op. Nu is het juist andersom.

Het meest vreemde, waar Uw Rechtbank de nodige vraagtekens dient te zetten, is de stelling van aangever dat de overvallers naar bovenkwamen en gelijk hem vastpakte en zijn armen opensneden. Er werd niets gezegd. Waarom? Aangever stelt in zijn verklaring bij de RC dat het een aanslag op zijn leven, waarom? Is het wel gegaan? Als de dader iets van hem wilde dan ligt het toch in de lijn der verwachtingen eerst praten, dreigen en dan als er niets volgt/geen antwoord dan pas ‘martelen’?

Het feit dat ‘Nor’ niet wordt genoemd, de beschrijvingen van de personen met gebruik van enig wapen wisselt, én de aanval niet te verklaren valt, brengt met zich mee dat Uw Rechtbank deze verkalring niet onomstotelijk kunt gebruiken en voor bewijs dient uit te sluiten, dan wel uitermate kritisch dient te gebruiken.

Medische gegevens.

Aangever heeft verwondingen opgelopen. Dit kan stroken met de verklaring van aangever, echter die verklaring wordt verzocht uit te sluiten, dan wel uitermate kritisch te gebruiken.

Aangever heeft verwondingen opgelopen. Die kunnen ook stroken met de consistente verklaring van client.

Aangever heeft verwonding opgelopen die niet kunnen stroken met de verklaring van medeverdachten.

 

SMSGESPREKKEN

De smsgesprekken voor het ten laste gelegde feit vindt plaats tussen Nor en Mo. Client weet hier niets vanaf.

In de geciteerde sms-gesprekken, spreekt ‘Mo’ ook over in de enkelvoud en dat ‘wij’ spreekt hij over dat zij er aan komen. Dit wil nog niet zeggen dat client hier vanaf weet.

De smsgesprekken dag(en) vóór het feit, zien niet toe op het feit, zoals client ook verklaard heeft én stroken ook niet met dit feit. In die smsgesprekken wordt gesproken over zwarte kleding, hetgeen niet strookt met het feit.

 

Tussenconclusie

Verklaring van client dient als uitgangspunt, en leidt tot vrijspraak van het medeplegen aan enig delict als ten laste gelegd.

Vrijspraak.

Als u aangever volgt, quod non, de vraag Welke kwalificatie?

Wat levert dit nu op? Als Uw Rechtbank meent dat de inconsistente verklaring van aangever kan worden gevolgd, als u meent dat de verklaring van aangever die de nodige vraagtekens met zich meebrengt kan worden gevolgd, én als u meent dat de verklaring van client – zo consistent ook – niet kan worden gevolgd, dan rijst de vraag wat levert dit feiten verhaal op.

 

Volgens aangever – zoals verklaart bij de RC- hadden de daders het voorzien op hem en niet op de hennep noch op enig ander iets in de woning. De daders slaan toe op hem, nadat zij de deur openen. Zij snijden hem, maar – zoals hij zelf verklaard heeft bij de RC- willen zij hem op een stoel plaatsen en hadden de daders het voorzien op hem.

Geen beroving met geweld, volgens aangever.

 

Als zij het voorzien op hem dan ziet het toe op het delict poging zware mishandeling en derhalve geen doodslag. ‘Enkel’ het snijden in de arm wil niet zeggen dat je overlijdt. Als de aanslag/poging toezag op de dood, dan was de mes richting de keel, buikt of borststreek gegaan. Echter hier betrof het  de armen. Aangever bevestigt dit, zijn armen waren gesneden maar hij kan weer alles gebruiken van zijn armen (Zie RC).

 

Poging zware mishandeling.

 

Volgens Uw Richtlijnen van de Rechtbank levert dit op;

 

Artikel 302 Zware mishandeling punt c.

Opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)

7 maanden onvoorwaardelijk gevangenisstraf

Bij zeer zwaar lichamelijk letsel geldt een gevangenisstraf van 8 maanden.

Echter hier betreft een poging.

De Officier kan ontzettend hoog eisen, echter uw oriëntatiepunten laat op dit punt toch wat anders zien.